vrijdag 31 januari 2014

Check-up

Zo, m'n halfjaarlijkse check bij de cardioloog zit er weer op. Mooie bloeddruk en hartslag (afgenomen door een verpleegkundige die m'n hartslag opjoeg. haha) en alle andere waarden van bloedsuikers, kreatine's etc.
Voor ik op de hoogte werd gesteld van al die mooie cijfers vond het volgende plaats;
Ik, iets te vroeg op de cardio-afdeling, onderuit gezakt op de bank, met een lekker bekertje koffie wachtend op de 'juf' die mij wil volplakken met pleisters voor het hartfilmpje, gebeurd dit :
Een hoop geschreeuw op de gang, gepaard gaand met trappen tegen deuren en muren.
Jeezus, wat komt daar nou aan? Een onvoorstelbaar dikke man met een verbrede rollator en daar achteraan een hele Tokkies familie.
Het hele zooitje hijst zich op de resten van de bank en laat duidelijk merken dat ze er zijn.
Wordt die 'vette' ook nog eerder dan ik geholpen! Oké, geen probleem, maar wel voor de familie Tokkie. Met z'n allen wilde zij de kleedruimte in waar amper ruimte is voor twee 'normale' personen.
Getrek en geduw, gepaard met veel schreeuwen, totdat de artsen uit de diverse spreekkamers kwamen om hen vriendelijk te vragen, hun stembanden op een lager niveau te zetten en terug te gaan naar de bank in wachtruimte.
Enfin, dat duurde ruim 10 minuten voor de hele 'vette prak' een plek had veroverd op de bank.
De 'vette' werd via een andere deur naar de behandelruimte geperst, waar het geschreeuw (van z'n viswijf) en het gekreun van hemzelf gewoon doorging.
Het 'thuisfront' op de bank was niet unaniem in hun zienswijze omtrent de gang van zaken. Twee, die de kleur van elkaars ogen, of richting, niet aanstonden, vonden het nodig om een en ander met stevig gebruik van de jatjes duidelijk te maken. Tumult in de tent, mensen die een bankje of drie opschoven, om niet te worden opgenomen in de kluwen zwaaiende Tokkies. Wat een zooitje ongeregeld!
Normaal duurt het maken van een hartfilmpje 2 minuten, met aan/uitkleden mee ± 6 minuten, maar bij die 'vette' ging dat nog wel effe duren!
"Meneer Mulder?" Yes, nu ben ik aan de beurt, rap dat hok in en rap het gesprek met de cardioloog en ik ben pleitte!
"Wat een toestand met die mensen" zei de verpleegkundige. "Ik ben blij dat ik bij die vieze 'vette' vent geen hartfilmpje hoef te maken." Haar collega zal daar wel anders over hebben gedacht. Die 'vette' was inderdaad te vies om zonder handschoenen aan te pakken.
Toen ik na de check weer plaats nam op de bank, was die 'vette' nog steeds niet terug, maar z'n familie nog steeds luidruchtig aanwezig.
Een kleine 10 minuten later had ik het gesprek met de cardioloog achter de rug en kon ik weer op huis aan. Even nog een nieuwe afspraak maken, maar dat viel niet mee om boven het geschreeuw van de Tokkies uit te komen.
Toen ik klaar was en langs hen liep, deed ik m'n wijsvinger voor m'n mond en zei: "Sssssstt, luister eens naar de stilte en hoor het gekreun van je pa!
De trappen ben ik iets sneller afgedaald, want je weet het maar nooit met die Tokkies.
Al met al een leuk bezoek aan het ziekenhuis, voorzien van luidruchtige momenten, maar met een geweldig resultaat voor mijzelf.
Dat wordt gevierd met een goed glas wijn.
Jullie zijn nog niet van mij af!

woensdag 8 januari 2014

Rommel opruimen

Afgelopen weken heb ik getracht m'n schuurtje op te ruimen. Tjee, wat je dan allemaal niet tegen komt! Spullen waarvan je dacht, die heb ik allang weggegooid. Niet dus.
Tijdens die speurtocht kwam ik een heel oud mesje tegen, dat ik ooit gebruikte voor het afsnijden van de kleirand rond het te maken model. Merk ; Herder Solingen. Versleten en in een handvat van een vijltje geperst, maar voor dat doel uitermate geschikt en afkomstig uit de besteklade van m'n moeder.
Ach, er lagen er wel een stuk of tien, dus deze werd niet zo gauw gemist, zolang m'n moeder alle 15 kinderen maar niet aan het aardappelen schillen zette.


Het volgende dat ik vond, was een spatel die ik gebruikte om kleine hoeveelheden gips aan te maken en met de andere kant te plamuren. De spatel was gemaakt door een smid, die een klein smederijtje had aan de Weesperzijde, bij de Omval.
Een stevig ding dat je verdere leven mee gaat. Dat blijkt wel uit het feit, dat ik 'm nog steeds heb.
Ik ben van plan om nog iets te gaan doen met gips en dan komt die spatel goed van pas. Van m'n vorige baan op het Akzo-lab heb ik ook nog diverse dunne spatels en schepjes. Allemaal in een pot, dan grijp ik nooit mis.


 
Wat is het leuk, dat hoe verder je in de rommel duikt, des te meer komt er tevoorschijn.
Het volgende in de rij was een oud schoenmakersmes van m'n vader. Ooit in een ver verleden herstelde m'n vader de schoenen van ons op een leest. De zolen werden met zgn texjes (vierkante spijkertjes) en houten pinnen vastgezet en daarna vakkundig in model gesneden.
Dit mes gebruikte ik voor allerlei doeleinden en is eigenlijk niet meer weg te denken uit mijn werkplaatsje.

 
Het mooiste heb ik bewaard voor het laatst. Een zelf in elkaar gefrot mes, met een plastic dopje van een stoel. Voor het maken van een mal had je diverse gereedschappen nodig en dit mes was speciaal voor het aanbrengen van de putjes om de twee helften van de mal op de juiste plek te houden, volgens het 'mannetje/vrouwtje' principe.
Menig keer heb ik m'n handen open gehaald aan dat mes. Heb 'm na m'n werk in de Huidenkoperstraat nooit meer gebruikt. (misschien toch maar eens een keertje weer proberen?)

 
Al met al een leuke herinnering aan een vroegere baan, die in het begin meer weg had van een overlevings-strategie, maar 58 jaar later weer voor je gaat leven.
En nu zet je het, voor je het weet, op je blog en kan de hele wereld het lezen. Grappig.

donderdag 28 november 2013

Oplossen lekkage


Zo heb je een prachtig afgetimmerde en geschilderde zolder/logeerkamer, en zo heb je een onverwachte lekkage die prachtige bruine strepen achterlaat.
Enige onverbloemde taal was op z'n plaats.
Even Googlen voor een goed bedrijf die onze schoorstenen onder handen kan nemen, want daar komt de waterbaan vandaan.
Na enkele offerte's te hebben vergeleken, kozen we een paar prima vaklui. De buren hadden geen last van lekkage (?), dus wilden niet meedelen in de kosten. 3 huizen, 4 schoorstenen, waarvan ik van twee de helft gebruik en zij beiden de andere helft. No way, no pay! Jammer dan, ga ik m'n eigen gang en laat de beide schoorstenen voor eigen rekening doen. (+ € 600,= extra)
Enkele weken later begon ik maar vast de pergola te slopen en de druif te verwijderen, om zo plaats te maken voor de steiger van die werklui. Was toch nog wel een klus, had 'm namelijk zelf gemonteerd, en ja, dan zit 'ie ook goed vast.


Een paar dagen later werd de steiger voor ons huis geplaatst en begonnen ze met gritstralen en uitbeitelen van de voegen. Veel gruis en stof rondom het huis.
Het was alleen jammer, dat het weer telkens roet in het eten gooide, waardoor ze geregeld moesten stoppen.

Door het stralen van de schoorsteen zag deze er weer als nieuw uit.

 De volgende stap was het aanbrengen van de nieuwe loodslab (180gr. ipv 140gr.), de oude slab zat vol haarscheurtjes.

Het aanbrengen van het lood had heel wat voeten in de aarde, vanwege het schuine dak waar die mannen op werkten. Maar de klus werd geklaard.
Wachtend op betere weersomstandigheden, werd er 4 dagen later pas begonnen met het opnieuw cementeren van de voegen.

 Tjeetje, wat wordt dat mooi!
Er ging nog aardig wat cement zitten in die voegen.

"Nou meneer, we komen volgende week terug, dan is het cement goed uitgehard en dan zal ik de schoorstenen impregneren" zei de uitvoerder. Ja, wat wil je, het is vrijdagmiddag en die mannen roken het weekend!
Enfin, woensdagmorgen waren de mannen weer present en gingen op voor het laatste bedrijf.
Dak schoonmaken, schoorstenen impregneren, goten uitscheppen en de steiger afbreken. Dat hadden ze in 2 uurtjes geflikt!
Oké, klus geklaard, rekening in je hand, garantie voor 30 jaar en weg waren ze.
Anderhalve week later, een donkere dag, veel regen buiten, maar waarom loopt de regen langs m'n raam? De goot hangt 40 cm over, dus dat kennie! VERSTOPPING!!
Na de goten te hebben leeggehaald (klein beetje bladeren en gruis), dacht ik dat het probleem was opgelost. Zelf was ik ook drijfnat en wist dat het nu opgelost was.
De volgende morgen toch maar even inspecteren. Waarom was de goot boven bij de uitbouw droog?
Eh..., dakpannen opschuiven en het dak op, om te zien of er ergens nog een obstakel zat in de goot.
Ja hoor, de man die de goten zou schoonmaken vanwege de rommel, had vergeten dat er ook nog schuine goten van de uitbouw zijn en daar lag een meter gruis met blaadjes, die geen druppel doorlieten, maar alles vrolijk onder de dakpannen verspreidden.
Toch maar een telefoontje richting aannemer gedaan en hem fijntjes gewezen op het werk van zijn werknemer. Was 'ie niet blij mee, maar zou wel actie ondernemen.
Na vele regenbuien leefden wij droog en gelukkig verder.

woensdag 20 november 2013

Van gips naar polyester.


Van de Huidekoperstraat naar de Lijnbaansgracht.
Maakten we in het oude atelier nog etalagepoppen die niet te tillen waren, op het nieuwe atelier in een pakhuis werd gestart met polyesterpoppen. Enige werkervaring met polyester ging vooraf aan de totale start van de productie.
Met de nieuwe mallen op een open laadbak, ging het richting de Lijnbaansgracht, onderweg nageroepen door vele nieuwsgierigen, zoals : "Hé, legt je ouwe moer soms in die vorm?" Ja, de humor 'legt' in Mokum op straat en dat laten ze weten ook!
Bij het atelier/pakhuis aangekomen moest alles met de 'hijs' naar boven.
De kist voor de mallen was eigenlijk te klein ( later kregen we een grotere). Daarop werd besloten de mallen rechtop te zetten (welk genie dat nou had bedacht!) om ze alsnog goed naar boven te krijgen. Halverwege de tocht naar boven donderde de hele troep eruit ( de kist was te laag) en raakte flink beschadigd. Tsja, wie gaat de baas bellen om te zeggen dat de boel in puin ligt? Niemand.

                                                        Berend Peter aan de 'hijs' in '62.

Voor geen kleintje vervaard nam ik een mal onder m'n armen en liep er mee de trappen op. Drie lange smalle trappen op worstelen en ik kwam diverse keren vast te zitten. Na 4 keer de trappen op en af te hebben gelopen, vond ik het welletjes en begon, met de al opgedane ervaring de mallen te repareren.
Chef Klaas van Wijk wilde dat ik mee bleef helpen om die 'krengen' naar boven te brengen, maar ik bracht hem fijntjes aan z'n verstand dat onze baas een uur later de boel zou komen inspecteren en dan ben je goed zuur als hij een puinhoop aantreft!
De gerepareerde mallen zette ik vooraan, zodat de schade aan de anderen niet opviel. De hele dag zijn we bezig geweest met het installeren van de spullen, zoals tafels, schuurband, vaten met polyester, vaten aceton, rollen glasmat en dozen vol glasvezel. De volgende dag zouden we 'los' gaan met de productie.
Onze 'schuurder' Alfons Szicinsky stond, zware shag rokend, voor de deur te wachten totdat de chef zou arriveren. Na het openen van de deur was het een hele klus om je fiets naar de eerste verdieping te sjouwen, buiten laten staan was toen ook al geen optie. Of hij werd gejat, of hij lag in de gracht.
Omkleden deden we in de 'schaftruimte' cq fietsenstalling. Omdat ik het werken in een overal niet prettig vond, had ik oude kleding van huis meegenomen om die daar af te dragen en weg te gooien als ze smerig waren.
Om niet te veel te worden blootgesteld aan de glasvezels en asbest, waren er tegen de wand grote afzuigkasten geplaatst, waarin je met niet al te grote mallen kon werken.
's Morgens kregen we een lijst met de nummers van de modellen die die dag gemaakt moesten worden.
Het eerste wat er werd gedaan was een filmlaagje aanbrengen in de mal, laten drogen en daarna de mal met huidkleurige polyester (roze) insmeren, die diende als 'kleeflaag' voor de aan te brengen glasvezel. Zo goed mogelijk werd er een gelijkmatig laagje aangebracht in de rondingen van de mal, waarna het impregneren (plakken) kon beginnen.
Voor het impregneren werd een dunne polyester, gemengd met 'harder', gebruikt, om de glasvezel te verzadigen. Na het uitharden werden de randen afgeknipt ( met zo'n 'beroemde' kromme schaar die Berend nog steeds in zijn bezit heeft) en met een mengsel van asbest/polyester ( dikte van plamuur) de randen van beide zijden ingesmeerd en daarna aan elkaar bevestigd dmv lijmklemmen. (later maakten we koorden van gedrenkte asbest vast aan de randen, met daarop een laagje om de beide helften aan elkaar te bevestigen).

                                    Cor Lorent en Berend Peter aan het werk met polyester.

Klaar om de warme droogkast in te gaan, waar ze ongeveer 2 uur konden uitharden.
Na de droogtijd maakte we met een stevig stalen mes de mal open en werd er met enig wrikken het model uit de vorm gehaald. Met het mes haalden we de scherpe randen er af en brachten de modellen naar chef Klaas van Wijk, die op zijn beurt de modellen plamuurde.
Ook de plamuur moest enige tijd (15 min.) drogen om de volgende behandeling te ondergaan.
Nu kon Alfons z'n schuurtalenten demonstreren, door de modellen langs een groot schuurlint te halen en eventuele kleine oneffenheden opnieuw te plamuren, of te schuren. Binnen een mum van tijd stond Alfons met een wit gezicht van het schuurstof (geen afzuiginstallatie!) met tussen z'n lippen zijn onafscheidelijk sigarettenpijpje. Roken was voor Alfons van levensbelang.
Een collega uit de beginperiode, Gerrit van de Berg, hield het na een paar maanden voor gezien en begon in de Hazenstraat een atelier (achter ons atelier), waarin hij spuitgietproducten ging produceren. Hij kon niet meer tegen die polyester lucht! Helaas voor hem, die plastictroep waar hij mee werkte stonk nog harder.
Veel plezier heeft hij niet gehad van z'n eigen bedrijfje. Het brandde tot de grond toe af in '61.
Gerrit heb ik nooit meer gezien.
Het eerste halfjaar werkte ik samen met een collega uit de Huidekoperstraat en daarna kwam Cor Lorent mij assisteren. Een stille jongen, waar fijn mee te werken was.
Niet lang na Cor kwam er een meisje ( Hennie?)uit de buurt bij ons werken. Een echte Jordanese, met een taalgebruik waar je van in een deuk lag. Nergens bang voor, zelfs niet voor de chef. Zoenen kon ze wel, maar dat wilde ze elke dag met iedereen. Ja dag! Jammer voor haar, ik deed niet mee. Niet mijn type!
Twee weken later bracht Hennie haar jongere broer mee om ook bij ons te komen werken. Wij dat knaapje inwerken, maar de volgende dag verscheen hij niet op z'n werk, hij was ziek!
'Meneer' zat te vissen op de Lauriersgracht, een stinkende gracht vanwege alle groentenoverschotten die erin werden gegooid door de handelaren die aan de gracht hun opslag hadden. Je kon bijna over die soep naar de overkant lopen. Samen met Klaas ging ik naar onze 'visser', die inmiddels gezelschap van een jonger broertje had gekregen. Dat knaapje had ruzie met z'n grote broer en gaf hem een zet, waardoor hij in de gracht donderde en tussen het smerige groenteafval belandde. Samen met Klaas trokken we de jongen op het droge en brachten hem naar huis.
Toen was hij echt ziek en kwam nooit meer terug!
Daarna hebben we nog veel andere gezichten gezien, soms een dag, soms langer. Van Kareltje tot Carla en van Emily tot Jaap.
Enige tijd later kwam er een nieuw gezicht het atelier opfleuren : Berend Peter.
Berend was snel ingewerkt en maakte al snel net zo makkelijk als wij de modellen.
Restanten polyester (!) namen wij wel eens mee naar huis, om zelf te verwerken. Ik weet niet of Berend het ook gebruikte in z'n atelier.
Regelmatig kwam ik daar op bezoek, maar weet helaas niet veel meer van die periode.
Met dit blog probeerde ik te beschrijven wat mijn werkervaringen waren vanaf de eerste uurtjes.

                      Het eindresultaat in de vernieuwde showroom in de Huidekoperstraat.
                                                      ( met dhr. Manuel Berghoff)
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

 

zondag 25 augustus 2013

Belevenissen in de Huidenkoperstraat.

Na mijn werkzaamheden op de kappersafdeling (het boeide mij niet erg!), ging ik weer aan de slag met de modellenfabricage en het opmaken van de poppen, schilderen van de ogen, blosjes op de wangen, wimpers aanbrengen en de lippen mooi rood maken.

 Er waren wel standaard bewerkingen, maar de rest werd op gevoel en eigen initiatief gedaan. Zo was geen gezicht hetzelfde opgemaakt.
Soms kwam er een klant die om afwijkende kleuren vroeg, zowel het hele model als de pruik en opmaak. Dat was het leukste aan dat werk, je helemaal uitleven met gekke kleuren en pruiken.
Volgens mij maakten we toen al de eerste 'punkers'. Stekelkoppen met absurdistische ogen en zwarte lippen. In eerste instantie was de baas er niet zo gelukkig mee, het mocht niet te gek worden, maar de klant wel en die betaalde er tenslotte voor.
De snorren en wimpers maakten we zelf (wat ik al eerder beschreef), maar op een keer zag ik dat m'n collega Jan Deeterink een mooie grijsbruine snor had gemaakt. Hoe kwam 'ie daar nou aan?
"Konijn" vertelde hij mij, "Maar we hebben hier geen konijnen" zei ik. "Ssstt.., kom effe mee" fluisterde hij en liep naar de liftschacht.

*Er was een speciale sleutel om de lift tot op het dak uit te laten komen. Dit mocht alleen door de liftmonteur worden gedaan, wij hadden daar niets te zoeken. Hoe kwam die 'gek' aan die sleutel?
Zoals met alles in die tijd, waren we erg vindingrijk en was de sleutel gewoon achterover gedrukt, nagemaakt, later weer 'gevonden' en teruggegeven aan de monteur.*

Op het dak aangekomen viel m'n mond open. Keurig naast elkaar stonden daar zes konijnenhokken, waar meer dan 20 beesten in zaten. Nou wist ik ook gelijk waarom ze mij steeds vroegen om schillen en oud brood mee te nemen.
"Die zijn voor de Kerst" zei Jan "En als je je kop houd, krijg je er ook eentje". Ja hallo, we zijn nu met twaalf kinderen thuis! Dat wordt een karig maal.
Zo kwam m'n collega dus aan die mooie haren voor een snor. Hij trimde gewoon af en toe een konijn.
Dit mocht de baas niet weten, want Jan had verteld dat hij dit haar speciaal van een kapperszaak kreeg waar alleen buitenlanders kwamen met stevig haar. De baas was tevreden en betaalde Jan voor de wekelijkse inbreng van zakjes haar. De oplichter!
Maandenlang werden de konijnen gevoerd en geknipt, maar toen kwam de kerst dichterbij en moest er worden bedacht hoe die konijnen van het dak en uit het gebouw te krijgen.
Afgesproken werd dat we met z'n drieën de konijnen op het dak zouden villen, in een papieren zak doen en in de tuin aan de achterkant naar beneden gooien, waar een collega de fietstassen zou vullen met de buit.
Het villen van de eerste konijnen ging van een leien dakje, totdat 'Kleine Joop' de Vries (andere collega, niet zo slim!) een Vlaamse reus aan z'n oren uit het hok trok. Nou, die reus had daar totaal geen zin in, verzette zich hevig en krabde Joop's handen open. Dit was toch niet te filmen! Joop als een gek achter dat rotkonijn aanrennen over het dak. Het was te hopen dat dat beneden niet werd gehoord.
Nu was dat dak voorzien van een opstaande rand van ongeveer 1,20 mtr. hoog, daar kan het konijn nóóit overheen. Wel dus, vlak voordat Joop hem aan z'n poot beet had.
Dat beest was echt zwaar, die houd je niet aan één poot vast, vooral Joop niet met z'n kleine handen.
Met een hoge 'piep' schoot het konijn over de rand en suisde naar beneden! Ojee, paniek! We hoorden een harde klap in de straat, keken over de rand naar beneden en zagen daar dhr. Berghoff naast z'n auto (Mercedes) onthutst kijken naar een konijn dat een ferme deuk in z'n dak had gemaakt.
Toen Berghoff naar boven keek en onze gezichten zag, was het te laat en de rapen gaar!
Zo snel als mogelijk was hebben we aan de achterkant van het gebouw alles naar beneden gedonderd, om de sporen uit te wissen. De lift konden wij niet gebruiken, Berghoff  had 'm eerder te pakken dan wij en stond een paar tellen later op het dak te razen en te tieren en ons de mantel uit te vegen.
Na ettelijke doodsbedreigingen, ontslag en vervolging, mochten wij naar beneden. Die dag was een ieder wat eerder thuis (werd ingehouden op ons loon!) en de volgende dag moesten we om half 7 present zijn om alle rotzooi op te ruimen (zonder extra loon?).
Vier dagen later was er een mooi kerstfeest op de zaak. Iedereen in z'n 'pakkie-best', met een cadeautje voor een collega (lootjes trekken) en in opperbeste stemming.
Met geen woord werd er door de baas gerept over 'het konijnenbombardement', we waren weer als verloren zonen in genade aangenomen en dat probeerden wij ècht wel enkele dagen vol te houden.
Niet veel later werd er door de directie een pakhuis op de Lijnbaansgracht aangeschaft, ingericht als werk-atelier, waar we aan de slag gingen met polyester.
Alle proeven met mallen en materiaal waren uitvoerig getest in de Huidenkoperstraat, zodat we meteen aan de slag konden gaan.
Polyester, glaswol en asbestkoord! Producten die toen niet het predicaat  'gevaarlijk'  hadden..

woensdag 5 juni 2013

Met de handen in het haar....

Al aardig ingewerkt in het maken van etalagepoppen, werd ik overgeplaatst (volgende deur) naar de 'kapsalon' van dhr. Kerkwijk. Een lange magere man die de pruiken voor de poppen maakte.
Van m'n oudere broer Jaap (dameskapper) had ik een mooi lichtblauw kappersjasje gekregen, waar ik scharen en kammen in op kon bergen. Wel zo makkelijk. Kerkwijk vroeg gelijk waar ik dat jasje vandaan had (beetje jaloers?).
Oké, ik kreeg een grote bundel nylon haren in m'n handen gedrukt en die moest over een hekel worden gehaald, minstens 10 minuten, van beide kanten af. Na een doos van 25 kilo te hebben 'gehekeld' met kramp in m'n armen, werden er strengen van ongeveer 5cm dikte gevormd (met een elastiekje bij een gehouden) en werden deze strengen in een grote pan met kokend water gedaan, waarin dan de gewenste kleur aan werd toegevoegd. Van geel tot blauw en rood tot zwart. (Dylonverf, ik heb nog steeds een paar blikjes van dat spul in diverse kleuren)
Regelmatig omroeren en na 3 uur er uit halen, afspoelen en afkoelen. De kleur werd geïnspecteerd aan de hand van een kleurkaart of het overeen kwam met de keuze.
De volgende stap was weer hekelen, maar dan met dunne strengen (± 1,5cm). Deze strengen werden plat gemaakt en tussen een strook linnen gelijmd. Tijdens het droogproces werden de 'kapjes' gemaakt.
Voor de kapjes gebruikten we een houten kop, met op de haarlijn een groef die met een donkerblauw kleurpotlood werd ingekleurd. Van linnen-lapjes besmeerd met een lijmoplossing, werd de kop beplakt. Na droging het kapje verwijderen van de kop en op de blauwe lijn (afgifte van het kleurpotlood op het linnen) het kapje uitknippen.
Het kapje ging weer terug op de kop en met enkele spijkertjes vastgezet.
Nu was het haar aan de beurt. Van te voren werd dmv potloodstrepen aangegeven waar de strengen moesten worden vastgezet. De plaatsing was belangrijk, vanwege de richting waarin het haar in model moest worden gebracht.
De linnen strook met het haar er tussen, werd voorzien van lijm en met 2 spijkertjes op de kop vastgezet. Dit procedé herhaalde zich totdat de hele kop in alle richtingen goed gevuld was. Onderaan beginnen en naar de kruin toewerken.
Als alle strengen waren vastgemaakt, dan werden ze met siccatief (sterk drogend vernis) ingesmeerd en net als bij een echte kapper(!) rollers gezet. 
Na 1,5 uur in de droogkamer te zijn geweest, werd de kop er uit gehaald om gekapt te worden. Rollers er uit, siccatief er uit borstelen, haar op lengte van het gewenste model knippen en opkammen. Dat laatste was het werk van Kerkwijk, na een week mocht ik het ook proberen en niet zonder succes. Dit was weer een totaal andere ervaring.
Na een laatste controle werd er een gigantische hoeveelheid haarlak over gespoten, om er voor te zorgen dat de pruik bij de eerste de beste aanraking niet in elkaar donderde.
De vrouwenkoppen waren allemaal van dezelfde maat, zo ook de herenkoppen (alleen iets groter, haha).
Mijn mooiste pruik (± 80cm hoog) heb ik gemaakt voor Ellen Vogel, die toen in de Schouwburg speelde. De naam van de voorstelling weet ik niet zo goed meer. "Eurydice" (gemalin van Orpheus), of iets dergelijks.
Het inplanteren van haar is een hele andere tak van sport.
In een mal van een hoofd, werd 'massa' gegoten, eerst een stollingslaagje en daarna nog een laag erover heen. De mal ging de oven in voor 15 min., de massa bleef daardoor zacht.
Voorzichtig werd de mal los gemaakt en de gietrandjes van het hoofd afgesneden. Direct daarna werd het hoofd onderhanden genomen door de dames van de andere kapafdeling.
Doordat de massa nog zacht was kon men er makkelijk met een pennetje doorheen prikken. Het inplanteren gebeurde dmv een grove naald, waarvan het oog gehalveerd was. Zodoende ontstond er een heel klein vorkje.
Door nu een bosje haar te nemen en dit op het hoofd te leggen, kon met het vorkje steeds een stuk of drie haren in de massa worden gedrukt.
Tijdens het inplanteren werd steeds de richting van het haar in de gaten gehouden, anders stond alles naar voren of naar achteren. Schuin aan de bovenkant en bijna plat in de nek en bakkebaarden.
Ook deze haren werden op rollers gezet, met siccatief bewerkt en weer in de droogruimte geplaatst om uit te harden. Door het uitharden van de massa, bleven de haren vanzelf vastzitten.
Na ongeveer een uur haalde men het hoofd op, rollers er uit, borstelen, knippen en in model brengen.


*De eerste beschrijving van pruiken geldt voor etalagepoppen (vast) en artiesten.
**Het tweede deel voor etalagepoppen met losse kop.

Dit alles speelde zich af in 1959 en het was een leuke tijd.
Tijdens mijn werkzaamheden bij Decora werd er aardig wat rottigheid uitgehaald met de jongste  bediende (ik!).
Mijn leefvoer voor de hele dag bestond uit 24 boterhammen(!) en dat voor zo'n jonge knaap! In die tijd kocht mijn moeder alleen witbrood. "De hele oorlog bruin gegeten, nu wil ik wit" was haar standpunt en daar hadden we maar mee te 'dealen'.
Enfin, kom ik op m'n werk, berg m'n brood op in de kast en ga aan de slag. Om 10 uur koffietijd, met een lekker boterhammetje er bij. Mooi niet! Ik heb de hele tent afgezocht naar mijn brood, nergens te vinden. Ik zag bij de werkbank wel twee voetplaten geklemd zitten tussen de bankschroef, maar sloeg daar geen acht op. Na een kwartier toch ook daar maar even kijken, èn ; ja hoor! daar zat mijn stapel brood, geplet tussen die voetplaten. Grrrr..!! Ze mogen alles met mij uithalen, maar blijf van m'n eten af, dan word ik link!
Er was niets meer van te maken, dus de hele dag met honger rond gelopen. Geen van de collega's gaf mij een boterham. Maar mijn wraak was zoet.
Drie weken later, de mannen waren weer in de roes van het werk en letten niet zo goed meer op.
Ik was op de hoogte van wat te doen bij een eventueel brandalarm en vond de knop, drukte 'm in en maakte dat ik weg kwam. Paniek in de tent, alles ontruimd, iedereen naar buiten en ik verstopte me in de showroom, tot iedereen weg was.
Via de noodtrap kwam ik terug op de afdeling en heb alle broodbakjes/zakjes van m'n collega's gepakt, omgekeerd op een groot stuk papier en de boterhammen met m'n handen versnipperd tot  kleine stukjes.
Ik verstopte me op het toilet en kwam tevoorschijn toen de mensen van de straat weer naar binnen kwamen. Het was een groot raadsel voor hen waarom het alarm was afgegaan. Tsja...!
Koffietijd!!
Allemaal opzoek naar hun broodbakje, vloeken als dragonders toen ze niets vonden.
Ik zat al lekker te eten toen het hele stel binnen kwam. "Tada! Verrassing!" "Neem een lepel en schep je zelf een handje vol op". Alles door elkaar, de kaas niet te onderscheiden van de jam. "Eet smakelijk" zei ik en maakte dat ik weg kwam.
Later moest ik bij m'n baas uitleggen wat er gebeurd was. Ik vertelde hem dat ik bij de trap was uitgegleden en precies op de alarmknop terecht was gekomen. Volgens mij keek ik daar zéér onschuldig bij.
Vanaf die tijd hielden de collega's toch een beetje meer rekening met mij, want je wist maar nooit wat die kleine dondersteen de volgende keer met hen zou doen.










maandag 20 mei 2013

Plakken en verder...

Wat een raar woord: plakken! Het dupliceren van een etalagepop in een mal werd zo genoemd, vanwege het insmeren van de jute met 'massa' ( mengsel van gips/krijt/dolomiet/arabische gom en rode kleurstof) en het aan elkaar smeren van deze stoffen.
De mal werd ingesmeerd met een vettige oplossing van stearine en spiritus, om er voor te zorgen dat het eindproduct makkelijk loslaat van de mal.
Daarna werden er stroken jute ingesmeerd met massa en in de mal gelegd, sommigen over elkaar, al naar gelang de plaats waar de meeste druk zou ontstaan.

 anno 1928

Zoveel mogelijk werd er tot aan de rand toe geplakt, hoefde er ook niets afgeknipt te worden en was het gereed om op de andere helft van de mal geplaatst te worden. Mocht er toch een teveel aan jute boven de mal uitsteken, dan werd dit afgeknipt met een gebogen schaar*.
Om deze twee helften aan elkaar te plakken gebruikte men lange stroken jute die voor de helft aan het onderste deel werden geplakt, lichtelijk gebogen, om daarna de bovenste helft er op te leggen en dan aan de binnenkant de strook jute aan te drukken op de bovenste helft.
Het onderste deel bestond uit één stuk en het bovenste uit meerdere. Zodoende kon je altijd de bovenstukken goed aandrukken, waardoor het een geheel werd.
Na de hele mal te hebben beplakt, werd de mal naar een grote warmtekamer gebracht om daar uit te harden. De temperatuur van die kamer lag boven de 100 graden, gasgestookt en het was geen pretje om daar lang te verblijven.
Na ongeveer 2 uur werd de mal uit de kamer gehaald en op de werktafel werden de bovenste delen er eerst vanaf gehaald en daarna het hele model uit de vorm (mal) getild.
Om een verbinding tussen de romp en de benen te maken werd er een plaat op het onderte deel gezet met een soort slot dat precies past in de plaat die aangebracht was aan de torso. Hetzelfde werd ook gedaan met de armen en handen.
Na dit proces ging het model naar de plamuur/schuurafdeling en daar werden alle oneffenheden opgevuld met een plamuur van dezelfde samenstelling als de massa, alleen werkte deze sneller en had geen verwarming nodig. Tussentijds werden alle onderdelen aangebracht.
Als het model van een vrouw was, dan werden er houten hakken (naald) aangebracht. Dit was voor een man niet nodig. Alhoewel!

Na het uitharden van de plamuur namen de schuurders het over en schuurden alles spiegelglad.
De volgende stap voor het afgewerkte model was de spuiterij, waar een universele kleur werd gespoten over het model. Als deze kleur droog was, werd het opnieuw geschuurd met een zéér fijn schuurpapier (polijsten) en weer teruggebracht naar de spuiter, die er de definitieve kleur op aan bracht.

 Leonard de Lanois

Het hele procedé hanteerde men ook voor de torso's, handen, armen en hoofden. Was alles in de hoofdkleur gespoten, dan kon het decoreren beginnen door onze 'artiest' Jan Deterding.
Zijn taak was de ogen en wenkbrauwen te schilderen, nagellak aanbrengen, wimpers en een mooie blos op de wangen. Dat vond ik toentertijd het mooiste aan de modellen om te doen. Hoe kijken de ogen je aan, hoe sterk is de kleur van de pupillen en de uitstraling van onder de wimpers.
De wimpers werden uit een kaart geknipt, waar ze in een gebogen lijn op waren aangebracht dmv stearine. Door een héél dun randje te knippen met de wimpers er nog aan, kon je het geheel aan de oogrand bevestigen met een voorverwarmd (± 50º ) spateltje, waardoor de stearine smolt en de wimpers vanzelf aan de oogrand bleven kleven. Eventuele mooie kromming van de wimpers werden gedaan met een heet ( 100º ) spateltje. Er langs bewegen was meestal voldoende om de haartjes te buigen.
Wat mooi toch, dat je zomaar een duplicaat van een mens in elkaar zet en daar met plezier aan terug denkt.

 dhr.Manuel Berghoff 
 
* Onlangs heb ik mijn gebogen schaar gedoneerd aan de stichting "Gered gereedschap". Het leukste vond ik wel het bezoek dat ik bracht aan Berend Peter, waar ik werd geconfronteerd met bijna een zelfde schaar, die wij toen gebruikten voor de polyester modellen. En dat na 50 jaar.                    
                                                 |